“Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.”
Kolossensen, 3:16.
Een opwekking
In Psalm 33 wordt de uitverkoren gemeente opgeroepen om voortdurend Gods lof te zingen, met welluidende zang en kunstige muziek:
“Zingt den HEERE een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal” (Psalmen, 33: 3, Statenvertaling).
De kanttekening vermeldt hierbij de volgende twee noten:
- “Dat (dit nieuwe lied) nimmermeer veroude, maar steeds vernieuwd worde, en in verse gedachtenis blijve, vanwege de nieuwe en verse weldaden die God telkens aan Zijn volk bewijst.”
- “Hebr. maakt het spelen of slaan goed, dat is, speelt wel, vernuftiglijk, kunstiglijk.”
Lees ook Psalm 149!
Deze opwekking spreekt natuurlijk voor zich.
Laat me zo vrij zijn om alleen nog op te merken dat zij die de kunst in de zang en muziek zo weinig achten (en die zijn er in de christelijke gemeente), hier opgewekt worden om hun gezindheid in dat opzicht te veranderen!
Een waarschuwing
In 1 Korinthe 17 waarschuwt Paulus dat het spreken ‘in tongen’ de gemeente alleen tot nut is, indien het overgezet wordt in woorden die de gemeente gewoonlijk gebruikt. Anders zijn het verborgenheden, die alleen God en wij zelf (degene die in tongen spreekt) verstaan, en alleen voor onszelf tot stichting kunnen zijn, niet voor onze broeders en zusters uit de gemeente.
Hij wijst er in vers 20 en 21 op, dat in de Thora is geschreven dat God straft door vreemde volken te zenden, die in een vreemde taal tot het volk zullen spreken. Paulus zegt daarom, dat vreemde talen niet een teken voor de gelovigen zijn, maar voor de ongelovigen.
De kanttekening bij de Statenvertaling verklaart bij deze tekst: “Dewijl dan God de onbekende talen als een straf gebruikt, zo behoort men dezelve in de gemeente zonder verklaring niet te gebruiken; overmits zulks zou strekken meer tot straf dan tot stichting derzelve”.
Zie ook Jesaja, 28:11:
“Daarom zal Hij door belachelijke lippen en door een andere tong tot dit volk spreken”.
De kanttekening bij de Statenvertaling schrijft als verklaring bij ‘belachelijke lippen’:
“Dat is, met vreemde spraken, want men is gewoon die te belachen die men niet verstaat”.
Ik meen dat dit alles ook in algemene zin iets te zeggen heeft over het spreken en zingen in de Christelijke gemeente.
Allereerst, dat het gebruik van vreemde talen (talen die de gemeente niet kent) in de erediensten volstrekt af te keuren is. Het dient niet tot stichting van de gemeente, maar eerder tot een vloek.
Een voorbeeld van dat laatste is het reeds eeuwenlange gebruik in de Rooms-Katholieke kerk om Latijn te gebruiken. In vroeger eeuwen was het zelfs gebruikelijk dat in het Latijn gepreekt werd; de onwetende leken zouden het immers verkeerd uit kunnen leggen, zo argumenteerde de geestelijkheid.
In de tweede plaats zegt het ons, dat de taal die we gebruiken eigentijds moet zijn. Dat is iets anders dan populair, modieus of trendy; het wil slechts zeggen: Niet onnodig verouderd.
Een voorbeeld: Er worden in sommige kerken nog psalmberijmingen gezongen, waarvan sommige verzen vanwege de ouderdom en daardoor soms veroorzaakte onbegrijpelijkheid soms worden bespot door de jongeren. Dat spotten is niet goed te praten of te verontschuldigen. Maar we hoeven er ook niet verbaasd over te zijn, zie Jesaja, 28:11 met de kanttekening, hierboven genoemd.
Tenslotte, het zegt ons ook dat onze woorden eenvoudig dienen te zijn, zodat iedereen ze kan begrijpen, ook degenen die minder geletterd of begaafd zijn.
Dit te bedenken, kan ons behoeden voor al te veel doordraven in de kunst, zeker als die voor de eredienst bedoeld is. Kunst mag, ja behoort een grote plaats te hebben in de eredienst, maar mag nooit een doel op zich worden. Als de kunst het begrip van de hoorder, lezer of zanger te boven gaat, wordt zij gemakkelijk bespot, en ontsticht zij daarom. Dat is nooit geheel te voorkomen, bijvoorbeeld omdat niet ieder de gave van de muzikaliteit in even grote mate bezit. Maar het is wel iets om terdege in het oog te houden!
Evenwicht
Het ter harte nemen van de hiervoor genoemde gegevens en gedachten geeft dus enerzijds een opwekking om onze kunst aan JHWH te wijden, en aan de andere kant een waarschuwing om daar niet in door te draven. Kortom: Een pleidooi voor evenwichtigheid!
Als we ergens naar gepaste stijl zouden streven, zou het toch wel de zang moeten zijn die tot eer van God is bedoeld, en tot stichting van de gemeente. Of het nu klacht, boete, gebed of lofprijzing is!
Over evenwicht gesproken: Dr. P. Korteweg schrijft in het artikel ‘Geen kunst zonder herschepping” in het Reformatorisch Dagblad een treffende alinea hierover.
Korteweg:
“De zondige natuur wordt gekenmerkt door ongehoorzaamheid. Calvijn heeft dat als geen ander benadrukt. Ook ten aanzien van de kunstzinnigheid worden mensen getekend door de natuurlijke ongehoorzaamheid aan Gods Woord. Dat kan blijken uit het kritiekloos aanvaarden en gebruiken wat de kunstwereld produceert. Of uit het in elkaar zetten van een kunstwerk zonder de ambachtelijkheid en de worsteling met de materie, waardoor het resultaat oppervlakkig blijft en tekortdoet aan de eer van God, ook al staat er een Bijbelse titel boven of wordt een Bijbels onderwerp behandeld. De worsteling van de kunst is enerzijds de weerspiegeling van de eigen tijd en anderzijds de bespiegeling van de eeuwigheid, en dat alles in de spiegel van Gods wet”.
Tot zover Korteweg.
Prachtig gezegd!
Motivatie en werkwijze
Berijmingen
De bijbelse rijmdichten (berijmingen) zijn in de eerste plaats gemaakt vanuit de wens om op een stijlvolle maar toegankelijke manier het bijbelwoord te vertolken, om de christelijke zang en muziek daarmee te dienen.
Doorgaans neem ik de tekst van de Statenvertaling als uitgangspunt, en maak daarbij ook gebruik van de kanttekeningen. Andere vertalingen gebruik ik weinig.
De reden van deze keuze is de brontekst-getrouwheid en het taalkundig hoge niveau van de vertaling. De brontekst-getrouwheid is voor mij erg belangrijk, omdat ik geen kennis heb van de brontalen van de Bijbel.
Omdat ik de Statenvertaling gebruik, en zo dicht mogelijk bij de onberijmde tekst wil blijven, doet het taalgebruik soms min of meer klassiek aan. Dat is bijna onvermijdelijk.
Het liefst gebruik ik een zo eigentijds mogelijke taal, om de gedichten toegankelijk te maken. Ik geef echter voorrang aan het zo goed mogelijk weergeven van de diepte die in de oorspronkelijke tekst ligt. Daar zijn soms klassieke woorden voor nodig.
Ook past bij gedichten met een inhoud van deze soort een bepaalde tijdloosheid. Trendy taal zult u er dan ook niet in ontdekken.
Klik hier voor een verdere overdenking van de laatstgenoemde zaken.
Het zal de oplettende lezer op kunnen vallen, dat mijn berijming veelal een kleiner aantal verzen oplevert dan andere berijmingen.
De hoofdreden daarvan is, dat ik nauwkeuriger de onberijmde tekst volg. Het komt ook omdat ik graag probeer om met weinig woorden veel te zeggen. Er zijn in ieder geval duidelijke redenen voor. Ik kies er vaak eerder en liever voor om de bijbeltekst wat beknopter weer te geven, dan om van alles toe te voegen; het gevaar vind ik dan dat de tekst breedvoerig wordt, terwijl er elementen insluipen die in de onberijmde tekst niet terug te vinden zijn.
Hier ontkom je bij een berijming nooit helemaal aan, maar ik probeer het zoveel mogelijk te vermijden.
Herdichten
Bij het herdichten van oude liederen zijn de uitgangspunten min of meer hetzelfde als bij de berijmingen van bijbelteksten. Maar er is toch een verschil.
Bij het herdichten ga ik vrijer met de brontekst (het bestaande gedicht) om. Dat heeft verschillende oorzaken.
De belangrijkste oorzaak is, dat ik niet als doel heb om een taalkundig nieuwe versie van een bestaand gedicht te brengen. Dat is namelijk in de meeste gevallen zeer moeilijk of onmogelijk vanwege de grote verschillen met de huidige taal. Helemaal is dat natuurlijk het geval bij herdicht vanuit een andere taal.
Bij herziening krijg je bijna altijd een min of meer nieuw gedicht. Het is ‘Revius’ niet meer, het is slechts een gedicht ‘naar Revius’; voor een echte Revius-liefhebber zal het resultaat dan misschien tegenvallen. Dat zegt overigens nog niet meteen iets over hoe de kwaliteit inhoudelijk en stilistisch zich verhoudt tot het oorspronkelijke gedicht; ik denk dat juist en alleen bij dit uitgangspunt een geheel nieuw gedicht kan ontstaan, dat niet in de eerste plaats moet worden vergeleken met het origineel (al mag dat natuurlijk altijd, en het ligt ook wel voor de hand om het te doen), maar vooral op zijn eigen waarde beoordeeld mag worden.
Het voorgaande is denk ik ook de reden dat bijvoorbeeld het herzien van een bestaande psalmberijming in principe niet mogelijk is, althans in zoverre niet, dat je dan óf een te gekunsteld en kwalitatief slecht geheel krijgt, óf (en daar kom je in feite altijd op uit) de nieuwe versie staat zover van het origineel af, dat het de naam van het origineel eigenlijk niet meer zou mogen dragen.
Een andere reden dat ik vrijer met de brontekst om ga bij herdichten, is dat ik er soms mijn eigen voorkeuren in leg; soms pas ik de inhoud bewust op onderdelen aan om bijvoorbeeld theologische of stilistische redenen. Of gewoon vanwege persoonlijke ingeving en voorkeur.
Dit alles neemt niet weg, dat ik in het algemeen ook bij de herdichten zo nauw mogelijk bij de originele tekst wil aansluiten; ik neem hier immers vooral gedichten als uitgangspunt die mij aanspreken en die ik zelf mooi vind; dan ligt het gewoon niet voor de hand om ze al te veel te wijzigen.
Ik hoop en bid dat de gedichten voor velen een hulpmiddel mogen zijn om de woorden van onze Heere en God te overdenken en te verstaan.
Johan Janse.